Verwerkingsrichtlijnen
Verwerkingsrichtlijnen
Selecteer een of meerdere hoofdstukken om te downloaden.
Inhoudsopgave

Dakveiligheid

trede

De enkele trede is een aluminium bouwproduct voor toegang tot daken, is stevig verbonden met de draagconstructie van hellende daken en mag voor inspectie, onderhoud en reparatie van systemen boven de dakoppervlakken worden betreden. De enkele trede voldoet aan EN 516, klasse K1 en mag niet worden gebruikt als bevestigingspunt voor persoonlijke beschermingsmiddelen. Geschikt voor dakhellingen van 12–60°.

trede

Ondergrond

Basisvoorwaarde is een PREFA-daksysteem dat volgens de PREFA-verwerkingsrichtlijnen is aangebracht en een statisch stabiele, volledige onderconstructie (volle bebording van minimaal 24 mm dik). De afstand tussen de spanten mag max. 1.000 mm zijn.

Materiaalspecificaties

Enkele trede: Aluminium AlMg1 H24, s = 5 mm
Oppervlakteafdichting: siliconen schijven
Voetstukken: EN AW 2007 AlcuPbMgMn
Afdekkap: PREFALZ gekleurde aluminium bandmateriaal
Bevestigingsschroef/-moer: roestvrij staal, A2-kwaliteit

Veiligheidsinstructies

Voor gebruik dient het gehele daktoegangssysteem visueel op gebreken te worden gecontroleerd (bijv. losse schroefverbindingen, vervorming, slijtage, defecte dakbedekking). Bij twijfel over de veilige werking van het daktoegangssysteem dient dit door een deskundig persoon te worden gecontroleerd (en schriftelijk te worden vastgelegd).
Het systeem mag alleen worden gemonteerd en gebruikt door personen die bekend zijn met deze gebruikshandleiding en de geldende veiligheidsvoorschriften op locatie en die lichamelijk en geestelijk gezond zijn.
Mocht er tijdens de installatie iets onduidelijk zijn, neem dan contact op met de fabrikant.
De enkele trede is ontwikkeld voor toegang tot het dak en mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Hang nooit iets zwaars aan de enkele trede en gebruik deze nooit als bevestigingspunt voor persoonlijke beschermingsmiddelen.
Gezondheidsbeperkingen (bijv. hart- en bloedsomloopproblemen, medicatie, alcohol) kunnen de veiligheid van de gebruiker tijdens het werken op hoogte beïnvloeden.
Veiligheidssystemen mogen niet meer worden gebruikt bij windsnelheden die het gebruikelijke niveau overschrijden.
Aan de enkele trede mogen geen wijzigingen worden aangebracht.

Opmerking

Bij alle PREFA-daksystemen kan het nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. als een vouw of golfkam in het montagegebied
ligt). Plaats en bevestig geen enkele trede in een vouw of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking.
LET OP: Houd de montagegebieden van de PREFA-daksystemen aan.

Benodigd materiaal

1 Enkele trede voorgemonteerd
2 2 afdekkingen voor voetstuk
3 2 voetstukken incl. oppervlakteafdichting

4 2 zeskantschroeven M12 × 16 mm
5 2 ringen 13,0
6 12 verzonken schroeven 6,0 × 40/24

Benodigd gereedschap

1 Steeksleutel SW10
2 Momentsleutel, dop SW19
3 Boormachine met Torx TX25

4 Waterpas
5 Rolmaat
6 Potlood

Montage

  • De voetstukken op de enkele trede voormonteren en vervolgens de afdekfolie van beide voetstukken verwijderen (afbeelding 1).
  • De enkele trede op het gewenste punt in de richting van de spanten plaatsen en de voetstukken met de meegeleverde verzonken schroeven aan de onderconstructie bevestigen (afbeelding 2).
  • De enkele trede van de voetstukken losschroeven en de voetstukken met de overige verzonken schroeven aan de onderconstructie bevestigen (afbeelding 3).
  • Afdekkappen op de voetstukken plaatsen (afbeelding 4).
  • De enkele trede met de meegeleverde zeskantschroeven en ringen met behulp van een momentsleutel aan de voetstukken vastschroeven. Aanhaalmoment 35 Nm (afbeelding 5).
  • De schroeven en zelfborgende moer losdraaien om de helling af te stellen. Het loopvlak met behulp van een waterpas afstellen. Stel het loopvlak dusdanig af dat het niet meer dan ±3° afwijkt van horizontaal (afbeelding 6).
  • De schroeven aan de zijkant er weer indraaien en met een zelfborgende moer op de helling (horizontaal ±3°) vastzetten (afbeelding 7).
  • Compleet systeem met meerdere enkele treden voor betreden van het dak. De afstanden tussen de enkele treden moeten zo worden gekozen dat ze probleemloos kunnen worden betreden (afbeelding 8).

Loopbrugondersteuning op één voetdeel

Het loopbrugondersteuningssysteem mag alleen worden gebruikt voor het betreden van daken en niet als bevestigingspunt voor persoonlijke beschermingsmiddelen of om er iets zwaars aan te hangen. Loopbrugondersteuning voldoet aan EN 516, klasse K1, type A. Geschikt voor dakhellingen van 12-55°.

Loopbrugondersteuning op één voetdeel

Ondergrond

Basisvoorwaarde is een PREFA-daksysteem dat volgens de geldige normen/vakregels is aangebracht op een volle bebording van minimaal 24 mm dik en een statisch stabiele onderconstructie. De afstand tussen de spanten mag max. 1.000 mm zijn. De loopbrugondersteuning dient met de meegeleverde voetstukken op de bebording te worden gemonteerd.

Materiaalspecificaties

Materiaal loopbrugondersteuning
Loopbrugondersteuning Verzinkt staal en gepoedercoat Bevestigingsschroeven/-moeren: V2A

Materiaal Loopbrug
Loopbrug: Verzinkt staal en gepoedercoat bevestigingsschroeven: Houtdraadbout M6 x 60/35, kwaliteit V2A met hamerkopmoer en PE-ring

Veiligheidsinstructies

De loopbrugondersteuning op voetstukken en de loopbrug mogen alleen volgens de huidige stand van de techniek worden gemonteerd door deskundige, vakbekwame personen die bekend zijn met het daktoegangssysteem.
Het systeem mag alleen worden gemonteerd en gebruikt door personen die bekend zijn met deze gebruikshandleiding en de geldende veiligheidsvoorschriften op locatie en die lichamelijk en geestelijk gezond zijn.
Gezondheidsbeperkingen (bijv. hart- en bloedsomloopproblemen, medicatie, alcohol) kunnen de veiligheid van de gebruiker tijdens het werken op hoogte beïnvloeden.
Mocht er tijdens de installatie iets onduidelijk zijn, neem dan contact op met de fabrikant.
Voor gebruik dient het gehele daktoegangssysteem visueel op gebreken te worden gecontroleerd (bijv. losse schroefverbindingen, vervorming, slijtage, corrosie, defecte dakbedekking).
Bij twijfel over de veilige werking van het daktoegangssysteem dient dit door een deskundig persoon te worden gecontroleerd (en schriftelijk te worden vastgelegd).
Het loopbrugondersteuningssysteem is ontwikkeld voor toegang tot het dak en mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Hang nooit iets zwaars aan het loopbrugondersteuningssysteem en gebruik deze nooit als bevestigingspunt voor persoonlijke beschermingsmiddelen.
Aan de loopbrugondersteuning mogen geen wijzigingen worden aangebracht.

Opmerking

Bij alle PREFA-daksystemen kan het nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. als een vouw of golfkam in het montagegebied ligt). Plaats en bevestig geen loopbrugondersteuning in een vouw of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking.

LET OP: Houd de montagegebieden van de PREFA-daksystemen aan.

Benodigd materiaal

1 Verbindingsstuk voor loopbruggen inclusief bevestigingsmiddelen
2 Loopbrugondersteuning
3 Voetstuk met oppervlakteafdichting
4 Bevestigingsschroef

5 Schroeven M6 × 60
6 Loopbrug
7 Eventueel met steunplaat

Benodigd gereedschap

1 Steeksleutel SW10
2 Momentsleutel, dop SW19
3 Boormachine met Torx TX25
4 Waterpas

5 Rolmaat
6 Smettouw
7 Potlood

Montage

  • Markeer de bovenrand van het voetstuk. Let daarbij op de montagegebieden van de PREFA-producten. Idealiter wordt een afstand van 30 mm van de onderkant van de vouwomslag tot de bovenkant van het voetstuk aanbevolen. Deze afstand ligt binnen het toegestane montagegebied en garandeert
    dat de PREFA-dakbedekking bedekt kan blijven of dat PREFA-daksystemen achteraf kunnen worden vervangen (afbeelding 1).
  • Verwijder de afdekfolie van het voetstuk en plak deze op de eerder gemarkeerde plaats. Alle zes de gaten van het voetstuk, die bedoeld zijn voor montage op de bebording, met de meegeleverde verzonken schroeven 6,0 × 40 mm losschroeven (afbeelding 2).
  • Afdekkap op het voetstuk plaatsen (afbeelding 3).
  • De loopbrugondersteuning met de meegeleverde zeskantschroeven en ringen met behulp van een draaimomentsleutel op het voetstuk vastschroeven. Houd een aanhaalmoment van 35 Nm aan (afbeelding 4).
  • Lijn de brug naar de dakhelling (12-55°) uit en draai de schroeven vast met de draaimomentsleutel 20 Nm (afbeelding 5).
  • Bevestig de loopbrug op ten minste twee steunen met de meegeleverde 4 speciale schroeven M6 × 60 mm, hamerkopmoeren en PE-ringen.
    De maximale afstand tussen de steunen bedraagt 900 mm, de maximale oversteek aan de zijkant van de steunen bedraagt maximaal 100 mm (afbeelding 6).
  • Verbind elementen van de loopbrugverbinder met de loopbrug. Schuif de loopbrugverbinder in de loopbrug zodat de veer in de opening in de voeg tussen de twee loopbruggen haakt (afbeelding 7).
  • Een samengevoegd veld (1) moet altijd worden gevolgd door een niet-samengevoegd veld (2) (afbeelding 8).

Loopbrugondersteuning op twee voetstukken

Het loopbrugondersteuningssysteem mag alleen worden gebruikt voor het betreden van daken en niet als bevestigingspunt voor persoonlijke beschermingsmiddelen of om er iets zwaars aan te hangen. Loopbrugondersteuning voldoet aan EN 516, klasse K1, type B. Geschikt voor dakhellingen van 12-55°.

Loopbrugondersteuning op twee voetstukken

Ondergrond

Basisvoorwaarde is een PREFA-daksysteem dat volgens de geldige normen/vakregels is aangebracht op een volle bebording van minimaal 24 mm dik en een statisch stabiele onderconstructie. De afstand tussen de spanten mag max. 1.000 mm zijn. De loopbrugondersteuning dient met de meegeleverde voetstukken op de bebording te worden gemonteerd.

Materiaalspecificaties

Materiaal loopbrugondersteuning
Loopbrugondersteuning Verzinkt staal en gepoedercoat bevestigingsschroeven/-moeren: V2A

Materiaal Loopbrug
Loopbrug: Verzinkt staal en gepoedercoat bevestigingsschroeven: Houtdraadbout M6 x 60/35, kwaliteit V2A met hamerkopmoer en PE-ring

Veiligheidsinstructies

De loopbrugondersteuning op voetstukken en de loopbrug mogen alleen volgens de huidige stand van de techniek worden gemonteerd door deskundige, vakbekwame personen die bekend zijn met het daktoegangssysteem.
Het systeem mag alleen worden gemonteerd en gebruikt door personen die bekend zijn met deze gebruikshandleiding en de geldende veiligheidsvoorschriften op locatie en die lichamelijk en geestelijk gezond zijn.
Gezondheidsbeperkingen (bijv. hart- en bloedsomloopproblemen, medicatie, alcohol) kunnen de veiligheid van de gebruiker tijdens het werken op hoogte beïnvloeden.
Mocht er tijdens de installatie iets onduidelijk zijn, neem dan contact op met de fabrikant.
Voor gebruik dient het gehele daktoegangssysteem visueel op gebreken te worden gecontroleerd (bijv. losse schroefverbindingen, vervorming, slijtage, corrosie, defecte dakbedekking).
Bij twijfel over de veilige werking van het daktoegangssysteem dient dit door een deskundig persoon te worden gecontroleerd (en schriftelijk te worden vastgelegd).
Het loopbrugondersteuningssysteem is ontwikkeld voor toegang tot het dak en mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Hang nooit iets zwaars aan het loopbrugondersteuningssysteem en gebruik deze nooit als bevestigingspunt voor persoonlijke beschermingsmiddelen.
Aan de loopbrugondersteuning mogen geen wijzigingen worden aangebracht.

Opmerking

Bij alle PREFA-daksystemen kan het nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. als een vouw of golfkam in het montagegebied ligt). Plaats en bevestig geen loopbrugondersteuning in een vouw of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking.

LET OP: Houd de montagegebieden van de PREFA-daksystemen aan.

Benodigd materiaal

1 Verbindingsstuk voor loopbruggen inclusief bevestigingsmiddelen
2 Loopbrugondersteuning
3 Voetstuk met oppervlakteafdichting
4 Bevestigingsschroeven 6 × 40

5 Schroeven M6 × 60
6 Loopbrug
7 Eventueel met steunplaat

Benodigd gereedschap

1 Steeksleutel SW10
2 Momentsleutel, dop SW19
3 Boormachine met Torx TX25
4 Waterpas

5 Rolmaat
6 Smettouw
7 Potlood

Montage

  • Markeer de bovenrand van het voetstuk. Let daarbij op de montagegebieden van de PREFA-producten. Idealiter wordt een afstand van 30 mm van de onderkant van de vouwomslag tot de bovenkant van het voetstuk aanbevolen. Deze afstand ligt binnen het toegestane montagegebied en garandeert dat de PREFA-dakbedekking bedekt kan blijven of dat PREFA-daksystemen achteraf kunnen worden vervangen (afbeelding 1).
  • Verwijder de afdekfolie van het voetstuk en plak deze op de eerder gemarkeerde plaats. Alle zes de gaten van het voetstuk, die bedoeld zijn voor montage op de bebording, met de meegeleverde verzonken schroeven 6,0 × 40 mm losschroeven (afbeelding 2).
  • Markeer de afstand van 90 mm tussen de voetstukken. Het tweede voetstuk moet in de richting van de spanten met het bovenste voetstuk worden uitgelijnd (afbeelding 3).
  • Verwijder de afdekfolie van het voetstuk en plak deze op de eerder gemarkeerde plaats. Alle zes de gaten van het voetstuk, die bedoeld zijn voor montage op de bebording, met de meegeleverde verzonken schroeven 6,0 × 40 mm losschroeven (afbeelding 4).
  • Afdekkappen op de voetstukken plaatsen (afbeelding 5).
  • De loopbrugondersteuning met de meegeleverde zeskantschroeven en ring met behulp van een momentsleutel op de voetstukken vastschroeven. Houd een aanhaalmoment van 35 Nm aan (afbeelding 6).
  • Lijn de brug naar de dakhelling (12-55°) uit en met de draaimomentsleutel 20 Nm aandraaien (afbeelding 7).
  • Bevestig de loopbrug op ten minste twee steunen met de meegeleverde 4 speciale schroeven M6 × 60 mm, hamerkopmoeren en PE-ringen.
    De maximale afstand tussen de steunen bedraagt 900 mm, de maximale oversteek aan de zijkant van de steunen bedraagt maximaal 100 mm (afbeelding 8).
  • Schuif elementen van de loopbrugverbinder in de loopbrug. Bevestig de elementen met de meegeleverde schroeven aan de zijkant (afbeelding 9).
  • Een samengevoegd veld (1) moet altijd worden gevolgd door een niet-samengevoegd veld (2) (afbeelding 10).

Veiligheidsdakhaak

conform EN 517 B

Bedoeld als ankerpunt op een hellend dak voor één persoon met persoonlijke beschermingsmiddelen en een valstopper conform EN 355. Geschikt voor het ophangen van dakdekladders en voor het bevestigen van dakdekstoelen. Hang nooit ongedefinieerde lasten aan het veiligheidssysteem. De veiligheidsdakhaak is getest voor montage op het dak conform EN 517:2006 type B (-y) in alle belastingsrichtingen (ook in de -y-richting = richting van de nok). Vergeet de fotodocumentatie van de deskundige bevestiging op het bouwwerk niet.

Veiligheidsdakhaak

Ondergrond

Basisvoorwaarde is een PREFA-daksysteem dat volgens de geldige normen/vakregels is aangebracht op een volle bebording van minimaal 24 mm dik en een statisch stabiele onderconstructie. Kleinste spantdoorsnede: 80 × 100 mm.

Materiaal

Veiligheidsdakhaak verzinkt staal en gepoedercoat Afdekkap en strips: Aluminium 3005 (AlMn1Mg0.5) conform EN 573-3, bevestigingsschroeven: HBS Komprex S-20 8 ×220/100 + R T/40 ZnNi C4 ,HBS Komprex S-20 8 ×120/80 + R T/40 ZnNi C4

Veiligheidsinstructies

Veiligheidsdakhaken mogen alleen volgens de huidige stand van de techniek worden gemonteerd door deskundige, vakbekwame personen die bekend zijn met het dakveiligheidssysteem.
Veiligheidsdakhaken mogen alleen worden gemonteerd en gebruikt door personen die bekend zijn met deze gebruikshandleiding en de op locatie geldende veiligheidsvoorschriften, die lichamelijk en geestelijk gezond zijn en die zijn opgeleid in PBM (persoonlijke beschermingsmiddelen).
Het ankerpunt moet zo worden gepland, gemonteerd en gebruikt dat het bij correct gebruik van de PBM niet mogelijk is om over de rand te vallen. De ongevallenpreventievoorschriften van het betreffende land moeten in acht worden genomen.
Het ankerpunt op het dak is bedoeld voor belasting in alle richtingen evenwijdig aan het montageoppervlak.
Bij het betreden van het dakveiligheidssysteem moeten de posities van de ankerpunten met plattegronden (bijv. schets van het bovenaanzicht van het dak) worden gedocumenteerd.
Voor gebruik dient het gehele veiligheidssysteem visueel op gebreken te worden gecontroleerd (bijv. losse schroefverbindingen, vervorming, slijtage, corrosie, defecte dakbedekking etc.). Bij twijfel over de veilige werking van het veiligheidssysteem dient dit door een deskundig persoon te worden gecontroleerd (en schriftelijk te worden vastgelegd).
De totale veiligheidsvoorziening moet minimaal één keer per jaar door een bevoegd persoon worden gecontroleerd.
Na belasting als gevolg van een val moet het gehele veiligheidssysteem buiten gebruik worden gesteld en door een deskundige worden gecontroleerd.
Indien nodig moeten de veiligheidsdakhaken worden vervangen. Aan de goedgekeurde ankervoorziening mogen geen wijzigingen worden aangebracht.

Opmerking

De PREFA-verwerkingsrichtlijnen, geldende normen en vakregels moeten in acht worden genomen. De veiligheidsdakhaken dienen in het midden van de spant en met de meegeleverde schroeven te worden gemonteerd.
De originele bevestigingsschroeven moeten minimaal 80 mm diep in de dragende onderconstructie (spanten) worden geschroefd. In geval van daklosanges 29 × 29, daklosanges 44 × 44 en dakschindels moet een steunplaat worden aangebracht.
Bij dakpannen, dakpannen R.16 en dakpanelen FX.12 kan het nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. bij een vouw of golfkam in het gebied van de spanten).
LET OP: Houd de montagegebieden van de PREFA-daksystemen aan.

Benodigd materiaal

1 Veiligheidsdakhaak EN 517 B
2 Afdekkap
3 Universele houtschroef, 8 × 220 mm (dubbelschalige dakconstructie) of 8 × 120 mm (enkelschalige dakconstructie)
 

4 Eventueel een steunplaat (altijd vereist bij PREFA-daklosanges en -dakschindels)
5 Vouwstrip

Montage

  • De spant en de bovenrand van de dakhaak (25-30 mm) markeren (afbeelding 1).
  • De dakhaak in het midden van de spant plaatsen en een markering maken door de punt op het dakoppervlak in te slaan (afbeelding 2).
  • De schroefgaten op de PREFA-dakbedekking markeren (afbeelding 3).
  • De schroefgaten voorboren met Ø 5 mm (afbeelding 4).
  • Afdichtmiddel aanbrengen rond de boorgaten en het inslagpunt (afbeelding 5).
  • Schroeven aanbrengen, sluitstrips van 0,7 × 22 × 250 mm eronder leggen en stevig vastdraaien. De originele bevestigingsschroeven moeten minimaal 80 mm diep in de dragende onderconstructie (spanten) worden geschroefd (afbeelding 6).
  • De afdekkap in de bovenste haakvouw schuiven, omvouwen en vastspijkeren (afbeelding 7).
  • De afdekkap bevestigen door de sluitstrip om te vouwen (afbeelding 8).
  • Veiligheidsdakhaak op steunplaat gemonteerd.

Veiligheidsdakhaak op twee voeten

Bedoeld als ankerpunt op een hellend dak voor één persoon met persoonlijke beschermingsmiddelen en een valstopper conform EN 355. Geschikt voor het ophangen van dakdekladders en voor het bevestigen van dakdekstoelen. Vergeet de fotodocumentatie van de deskundige bevestiging op het bouwwerk niet.

Veiligheidsdakhaak op twee voeten

Ondergrond

Basisvoorwaarde voor professionele/deskundige montage is een PREFA-daksysteem dat volgens de geldende normen/vakregels is gelegd en een statisch stabiele houten onderconstructie (spanten van minimaal 8/8 cm met een volle bebording van minimaal 24 mm, bij een minimale dakspantisolatie van 10 × 14 cm).

Materiaal

Veiligheidsdakhaak: roestvrij staal 1.4301
Voetstukken: EN AW 2007 AlCuPbMgMn
Oppervlakteafdichtingen: siliconen ring
Afdekkap: PREFALZ gekleurde aluminium bandmateriaal
Bevestigingsschroef: HBS Komprex S-20 8 ×220/100 + R T/40 ZnNi C4,
HBS Komprex S-20 8 ×120/80 + R T/40 ZnNi C4
Bevestigingsschroef/-moer en ring:
roestvrij staal, kwaliteit 1.4301

Veiligheidsinstructies

Voor gebruik dient het gehele veiligheidssysteem visueel op gebreken te worden gecontroleerd (bijv. losse schroefverbindingen, vervorming, slijtage, defecte dakbedekking). Bij twijfel over de veilige werking van het daktoegangssysteem dient dit door een deskundig persoon te worden gecontroleerd (en schriftelijk te worden vastgelegd).
Veiligheidsdakhaken op voetstukken mogen alleen worden gemonteerd en gebruikt door personen die bekend zijn met deze gebruikshandleiding en de op locatie geldende veiligheidsvoorschriften, die lichamelijk en geestelijk gezond zijn en die zijn opgeleid in PBM (persoonlijke beschermingsmiddelen).
Veiligheidsdakhaken op voetstukken mogen alleen volgens de huidige stand van de techniek worden gemonteerd door deskundige, vakbekwame personen die bekend zijn met het daktoegangssysteem.
Het veiligheidssysteem moet zo worden gepland, gemonteerd en gebruikt dat het bij correct gebruik van de PBM niet mogelijk is om over de rand te vallen. De ongevallenpreventievoorschriften van het betreffende land moeten in acht worden genomen.
Bij het betreden van het dakveiligheidssysteem moeten de posities van de veiligheidsdakhaken met plattegronden (bijv. schets van het bovenaanzicht van het dak) worden gedocumenteerd.
De totale veiligheidsvoorziening moet minimaal één keer per jaar door een bevoegd persoon worden gecontroleerd.
Na belasting als gevolg van een val moet het gehele veiligheidssysteem buiten gebruik worden gesteld en door een deskundige worden gecontroleerd. Indien nodig moeten de veiligheidsdakhaken worden vervangen.
Aan de veiligheidsdakhaak mogen geen wijzigingen worden aangebracht.
Roestvrij staal mag NIET in contact komen met slijpstof of stalen gereedschap. Dit leidt tot corrosievorming.

Opmerking

Bij alle PREFA-daksystemen kan het nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. bij een vouw of golf in het gebied van de spanten). Plaats en bevestig geen veiligheidsdakhaak op voetstukken in een vouw of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking.
LET OP: Houd de montagegebieden van de PREFA-daksystemen aan.

Montage

  • Markeer het midden van de kepers. Het bovenste voetstuk (buitenrand) dient een afstand van minimaal 10 mm tot de erboven liggende vouw te hebben. Houd een afstand aan van 84.5 mm (gemeten aan de binnenkant) tussen de twee voetstukken. Voor de bevestiging aan de spant moeten de boorgaten met ∅ 8,5 mm zich in de as van de haak van de sneeuwbescherming (= spantbaan) bevinden - bevestigingsschroef in één as met de spant. Verwijder de beschermfolie aan de achterzijde van de voetstukken, plaats ze en plak ze op (afbeelding 1 + 2).

Opmerking

Plaats en bevestig geen voetstuk in een vouw of op de golfkam van een PREFA-dakbedekking. Het kan nodig zijn om een steunplaat te monteren (bijv. bij een vouw of golfkam in het gebied van de spanten).

  • De schroefgaten met een boor van ∅ 4,1 mm voorboren in de onderconstructie, boordiepte ca. 50 mm (afbeelding 3).
  • De voetstukken met 2 Bevestigingsschroeven 8 × 220 mm (bij dubbelschalige constructie) of 8 × 120 mm (bij enkelschalige constructie) op de spant vastschroeven, totdat de oppervlakteafdichting tegen de dakbedekking/onderconstructie wordt aangedrukt. Bij correcte verwerking puilt de oppervlakteafdichting iets naar buiten uit (opzetstuk voor boor: Torx TX40) (afbeelding 4).
  • Bevestigen (plaatsen) van de afdekkappen op de voetstukken (afbeelding 5).
  • Montage van de veiligheidsdakhaak met behulp van de twee zeskantschroeven (M12) op de voetstukken (SW19; draaimoment 35 Nm) (afbeelding 6).