Verwerkingsrichtlijnen
Verwerkingsrichtlijnen
Selecteer een of meerdere hoofdstukken om te downloaden.
Inhoudsopgave

Dekrichting, bevestiging en montage

Dakpannen R.16 worden altijd in verband gelegd, ofwel met verspringende voegen. Om de montage met verspringende halve voegen te vergemakkelijken, is er een markering gemaakt op de bovenste vouw van de dakpan R.16.

De dakpannen R.16 worden van rechts naar links gelegd en dienen per rij (in horizontale rijen) te worden gelegd.

Dakpan R.16 afstellen en in de vouw schuiven. Sla met het handvat van de hamer licht tegen de onderkant van de dakpan.

Lijn de dakpan R.16 uit met de snoermaat, de markering op het startprofiel of de vorige rij. 

Bevestig de dakpannen R.16 met de meegeleverde spijkers 2,8/25 (basisbevestiging 3 stuks per dakpan R.16).

In gebieden die bijzonder gevoelig zijn voor stormen, is een windbelastingberekening vereist en dient de bevestiging volgens de berekening te worden verbeterd.

Opmerking

In het geval van extra bevestiging kunnen de voorgevormde nerven worden gebruikt.

De dakpan R.16 kan ook op een gedeeltelijke bebording (minst. 24 mm) worden gemonteerd. Let er bij de montage van een gedeeltelijke bebording op dat er zich onder de bevestigingsstrip steeds een plank bevindt en dat de latafstand van 420 mm aangehouden wordt.