Verwerkingsrichtlijnen
Verwerkingsrichtlijnen
Selecteer een of meerdere hoofdstukken om te downloaden.
Inhoudsopgave

Dekrichting, bevestiging en montage

De dakpannen maken een montage in beide richtingen mogelijk. Dakpannen worden altijd in verband gelegd, ofwel met verspringende voegen. Halve pannen en ventilatiepannen kunnen ook voeg voor voeg worden gelegd (afbeelding 1).

Leg de dakpannen in horizontale rijen.

Druk de dakpan in de vouw om deze vast te haken. Sla met het handvat van de hamer licht tegen de onderkant van de dakpan (afebbelding 1).

Het algemeen zekeren van de overlappende groeven is normaal gesproken niet nodig. Bij oneffen oppervlakken, bebording en onderconstructies (overlappende groef is niet aanwezig) kan handmatig zekeren nodig zijn.

Bevestig elke dakpan twee gepatenteerde klangen (standaardbevestiging). De bevestiging wordt bij volledig beschot met ribnagels 2,8/25 uitgevoerd.

De klangen moeten ca. 3 cm naast de groef van de dakpan worden geplaatst. In gebieden die bijzonder gevoelig zijn voor stormen, is een windbelastingberekening vereist en dient de bevestiging volgens de berekening te worden verbeterd of dienen geschroefde in plaats van gespijkerde bevestigingen te worden gebruikt. Als de bevestiging met een hoger aantal klangen volgens berekening niet voldoende is, kan bovendien een directe bevestiging aan de zijkant van de golf (onderliggende golf) worden bevestigd met 2 stuks SPAX-schroeven per plaat aangebracht worden.

De indeling van klangen is afhankelijk van de legrichting. Patentklangen zijn voorzien van een extra nerf. Deze nerf maakt het gemakkelijker om er met een spijker doorheen te slaan als dit bij het voorgeboorde gat niet mogelijk is (bijvoorbeeld door een onvolmaaktheid, spleet in de bebording).